Huiswerk

Huiswerk tot 29.05.2017
En in 2016? Je denkt misschien dat ik mijn huiswerk niet heb gemaakt…
Huiswerk tot 07.12.2015
Zet het woord tussen haakjes in het meervoud
  1. Veel (vrouw) dragen (laars) als het koud is.

  2. In Nederland hebben bijna alle (huis) centrale verwarming.

  3. Een leraar geeft (advies) over (beroep) en verdere studie.

  4. Voor mijn verjaardag krijg ik altijd een prachtig bos (roos).

  5. Ze heeft last van haar (lens) daarom draagt ze nu haar oude bril.

  6. De (glas) van die bril zijn niet goed.

  7. De prijs van tweedehands (auto) zijn in veel (garage) veel te duur.

  8. Door (oorlog) en honger zijn veel mensen in een hopeloze situatie.

  9. Op de (snelweg) rijdt het verkeer vaak veel te hard.

  10. Er gebeuren dan soms ook ernstige (ongeluk).

  11. Een keukenmachine vind je bij de elektrische (apparaat).

  12. In Rotterdam heb je veel soorten taal(cursus).

  13. Op sommige (boerderij) maken ze nog zelf kaas. Die (kaas) vind ik lekkerder dan die uit de fabriek.

  14. De (adres) van onze cursisten zitten allemaal in de computer.

  15. Hij voelt zich eenzaam, hij heeft bijna geen (contact).

  16. Mijn broer heeft vier (kind). Ik heb twee (neef) en twee (nicht).

  17. Een cursist uit Kameroen zei (zegde???) eens: “Nederland heeft maar twee (seizoen). Winter en lente.”

  18. Op school staan de (paraplu) in de gang.

Vul het passende woord in
  1. Marilene is getrouwd. …………………… man heet Jaap. (haar/zijn)
  2. Ze hebben een kind. ………………… kind heet Anemarie. (haar/hun)
  3. We doen de papieren in …………… tas. (ons/onze)
  4. Ik zit op een stoel. …………… pen ligt op de tafel. (mijn/zijn)
  5. Heb jij …………. jas in de gang op de kapstok? (haar/je)
  6. Hij heeft ………….. koffie en broodjes betaald. (hun/zijn)
  7. Zij heeft ………….. familie gisteren gebeld. (haar/hun)
  8. Heeft u …………. geld in ………… jas op de gang? (jouw/uw)
  9. Dat is gevaarlijk. Wij hebben ………. geld hier in ……… tas. (ons/onze)
  10. Cemile en Baki komen uit Turkije. …………… taal is Turks. (haar/hun)
  11. Nu schrijven jullie de antwoorden op ……….. blaadjes. (hun/jullie)

Zie ook KB blz. 97: 7.2


 

Huiswerk tot 30.11.2015

Plural bilden

1. Bij het station staan vaak drie (bus).
2. In het centrum heb je veel (café).
3. Ik woon in een flat met 10 (etage).
4. Ik heb geen centrale verwarming, maar 2 (kachel).
5. Vroeger had ik veel (hobby). Nu moet ik hard werken.
6. ’s Winters heb ik 3 (deken) op mijn bed.
7. De (pauze) duren 15 minuten.
8. Wil je de (foto) van het feestje zien?
9. Het was slecht weer en er waren geen taxi’s.
10. Ik eet alleen maar groene (paprika).

1. De (mouw) van mijn nieuwe jas zijn te lang.
2. Goede tweedehands (auto) zijn duur.
3. De (computer) staan in lokaal 10.
4. Waar liggen de (sleutel) van de (kast)?
5. Al mijn (trui) zijn blauw of groen. Dat zijn mijn lievelings(kleur).
6. De (zomer) in Nederland zijn vaak nat en koud.
7. (Vogel) leggen (ei).

1. (Kind) hebben in de grote (stad) niet veel ruimte om buiten te spelen.
2. De (lid) van een (boek)club moeten 4 keer per jaar een bok kopen.
3. (Mens) krijgen (baby).
4. (Koe) en (schaap) staan ’s winters binnen.

Kurze Sätze zum Thema “Sonntagsfrühstück” bilden

Beispiel: Er staan drie borden op tafel…