Maandelijks archief: mei 2017

Boeken, boeken, boeken, boeken…

Huiswerk tot 29.05.2017

Verzamel de voor- en nadelen van boeken of tijdschriften op papier in vergelijking met e-boeken of e-tijdschriften.

Papier

Toen de Gutenberg de boekdrukkunst vond uit, konden vele mensen het lezen leren omdat de boeken goedkoper geweest zijn. Vandaag krijgt het klassiek boek concurrentie door de e-boeken. Erbij hebben de papierboeken sommige voordelen.

  • Wanneer je geen stroom heeft, kun je de papierboeken nochtans lezen.
  • Evenzo de tijdschriften op papier. Een gelezen tijdschrift kan je bijv. recyclen en weer gebruiken. Met een actuele of oude tijdschrift kan je de vliegen doodslaan. Dat geïnteresseerd een dode vlieg niet.
  • Een papierboek is een leuk cadeautje en je kunt een dedicatie erin schrijven.

De nadelen van papierlectuur zijn

  • Je heeft veel plaats nodig voor de boeken.
  • Je heeft veel afval wanneer je een dagblad geabonneerd heeft.
  • De brandpreventie van bibliotheken is problematisch omdat de vele boeken in een gebouw een hoge brandlastfactor hebben.

De haptische waarneming van papierboeken is maar een subjectief indruk.

E-lectuur

De e-boeken en e-tijdschriften hebben net hoogconjunctuur. Een leuke uitvinding, wanneer je vele voordelen heeft.

  • Op een e-bookreader kan je duizenden van boeken en dagbladen sturen. Daarom heeft hij altijd hetzelfde gewicht, gelijk hoeveel boeken je heeft.
  • Via internet koop je de e-lectuur binnen seconden en meestal goedkoper dan de papieren uitgaven.
  • Heb je een bril nodig? Geen probleem. Je kunt de schriftteken groter en kleiner maken, als het je belieft.
  • Je hebt altijd nieuwere informaties dan van de printmedia.

De nadelen zijn:

  • Geen stroom meer – geen lectuur. De looptijd van de accu’s zijn beperkt.
  • Er zijn verschillende e-boekreader en producent specifiek formaten van de software op maart.

Maar let op wanneer je vliegen doodslaan wil. Meestal marcheert het maar een keer…

Waar geef jij de voorkeur aan.

Wanneer ik op reis ben gebruik ik graag het e-boek. We hebben de e-dagblad geabonneerd, omdat de brievenbus voor en de afvalbak erachter niet zo vol is.

Ik lees ook graag papierboeken vooral die, met een dedicatie.

filesofie…

Waar een wil is, is een weg.
Waar meer willen zijn, is een file…

Een file naar de vakantie is mooier dan een file naar het werk…

Een bediende belde naar zijn baas. “Hallo chef. Het spijt me, maar ik kom een beetje later naar werk omdat ik net in een file sta.”
“Och wat dom. Sta je in een lange file?”
“Dat weet ik niet. Ik ben de eerste…”

Het is nog niet allemaal naar de wuppe

Mijn naam is Wannes Van Wezemael. Eigenlijk heet ik Johannes, maar mij vrienden noemen me kort Wannes, of Wannes VW, omdat ik in mijn vrije tijd met een oude VW-bus rij. De VW-bus en ik zijn even oud. Bouwjaar 1960.

Ik werk als ingenieur bij een rederij uit Denemarken en moet veel reizen. Drie weken aan boord van een schip, drie weken vrije tijd. Elk jaar. Geen tijd voor een familie. Mijn familie zijn de schepen en de bemanningen. Ik verheug me op “mijn familie” wanneer ik morgen terug op de “Princess Seaways” ben. Dat is een veer dat de route Newcastle upon Tyne naar IJmuiden vaart. Een echt mooie overtocht wanneer ik een beetje reclame mag maken.

De afgelopen drie weken vrije tijd had ik het erg druk. Het begon op mijn laatste werkdag toen ik van boord ging. Een vrouw vraagde in het Engels naar de uitgang. “Dat is de zelve weg zoals u binnen kwam.” zei ik en wees naar scheepsdek 4. “Ik ben met mijn man in de auto gekomen, maar nu ga ik te voet van boord.” zei die vreemde vrouw met een resolute stem. Ik bekeek haar en zag dat ze maar een klein rolkoffertje had. Ze was ongeveer 40 jaar oud, had donkerbruine lange haren en droeg een luchtige zomerjurk. De zomersproetjes rond om haar neus zagen erg schattig uit. “Weet u ook hoe ik naar Amsterdam kan rijden? Ik wil van daar met de trein weer naar Keulen.” vroeg ze alsof ik een medewerker van VVV was.

Wilt u niet met de auto en uw man verder reizen?” Ik kan ook iets nieuwsgierig zijn. “Nee laat maar. Tom vaart straks weer terug naar Engeland. Ik denk dat dat mijn private BREXIT zal worden.” zei ze en ving aan te lachen. “Ik heet Jane. Jane Turner.”

Je kunt me kort Wannes noemen.” antwoordde ik. “One Ness?” vroeg ze. Deze Engelsen dacht ik… “Eigenlijk heet ik Johannes, maar ik ben in Vlaanderen opgegroeid en daar noemen ze me allemaal Wannes. Maar wanneer het jou te gecompliceerd is, kan je ook John zeggen. Ik moet voor mijn werk veel Engels praten.”

We gingen door de security-checkpoint en kwamen naar de uitgang. “Kijk. Daar verderop is de bushalte naar Amsterdam Centraal. De reis duurt amper een half uurtje. De draagvleugelboot vertrekt helaas niet meer van IJmuiden. Dat was mooier dan met de bus.”

Je bent hier thuis?” vroeg Jane. Blijkbaar had ze geen haast van hier weg te komen, ofschoon ik de indruk had dat ze af en toe nerveus terug keek. Of Tom ze wel observeerde?   Ja, ik woon vlakbij het centrum op een zeilboot. Maar je moet je wel een beetje haasten wanneer je met de eerste bus wilt rijden.”  

En jij? Rij je niet met deze bus?” Goh, wat is deze vrouw nieuwsgierig, dacht ik. “Nee, ik heb een eigen bus. Veel kleiner en wezenlijk ouder dan deze moderne reisbus. Maar ik denk langzaam dat niet naar wilt Amsterdam rijden, of niet?”

Toch, natuurlijk.” zei ze een beetje beledigd “Maar ik heb ook niets tegen een kleine stadsrondrit. Wanneer je toch in Amsterdam op een echte woonboot leeft.”  Ik rolde met de ogen “Een zeilboot, geen woonboot.” Goeie grutten dacht ik, wat zal ik doen? “Maar goed! De zeilboot ligt in de Sixhaven. Van deze plek ben je net in tien minuten met de IJveer van het IJplein naar Amsterdam Centraal.” Ze glimlachte hartelijk en verheugde zich zoals een klein meisje.

We verlieten de DFDS-terminal en gingen door de Prins Hendrikstraat. Haar rolkoffertje droeg ik omdat de rollen op de kasseien een erg harde klank maakten. In de verte hoorde ik de sirenen van politieauto’s, die blijkbaar in richting van de terminal reden. Naast een oud baksteenhuis was de garage. Ik deed de garagepoort open en nam een grote vilten dekken van de auto en daar was hij. Mijn lieve, beste, oude blauwe VW-bus. “Vriest het busje?” vroeg ze en giechelde terwijl ze hielp het dekken te plooien. “Nee, dat is vanwege de zouthoudende lucht aan de kust. Ik heb de garage extra voor mijn busje gehuurd. Ik ben drie weken aan boord. Daar kan veel gebeuren” Ik propte mijn grote rugzak en haar klein rolkoffertje in de VW-bus en deed de bijrijdersdeur voor haar open. “Voilà, entrez s’il vous plaît.”

Mijn vader heeft deze schat gekocht toen ik geboren werd. Dit busje heeft maar een ongeval gehad en ik had schuld. Toen ik acht jaar oud was, zat ik in de bus en speelde autootje rijden . Opeens loste ik de rem en de wagen rolde van een kleine drempel af, straks tegen een muur. Mijn vader heeft niet gescholden, hij lachte maar. Het is nog niet allemaal naar de wuppe1. Dat was altijd zijn spreekwoord. Later wees hij me hoe men een auto repareert. Vandaag repareer ik schepen.”

We stapten in de bus en reden langs de Kanaaldijk naar de Pontplein. Er kwamen nog meer politieauto’s ons tegemoet. “Misschien waren weer Engelse hooligans aan boord.” zei ik zonder na te denken. Ik keek naar Jane. Ze glimlachte “Of het waren Nederlandse hooligans? Misschien hebben de Nederlanders tegen de Engelse verloren?” “What ever, ik ben nu op vakantie.” antwoordde ik. Voetbal interesseert me absoluut niet.

De kleine autoveer kwam en we voeren over het Noordzeekanaal naar Velsen. “Heb je honger?” Wat een domme vraag. Het was net half elf en het ontbijt was nog niet lang geleden. “Nee, maar een kopje koffie zou niet slecht zijn.” “Kijk eens, we drinken een kopje koffie op de Texel.” Ze keek verbaasd. “Wij rijden naar Texel?”   Nee, Texel heet mijn zeilboot. Dat is een 37 ft. X-Yacht uit Denemarken. Een erg snelle zeilboot. Alle X-Yachten hebben een X in de bootsnaam en daarom heet mijn boot Texel. Maar in de buurt van de Sixhaven is een leuk Marokkaans café. En daar kunnen we ook…”  Nee laat maar, hoor. Ik ben heel benieuwd op die Texel. Is dat bootje ook zo oud als jou auto?” Deze vrouw, dacht ik…

Hoi Wannes, hoe gaat het met jou?” riep van Onna, de havenmeester van de Sixhaven, “En wat een leuk meisje heb je erbij. Bent je weer in de wolken? Maak het niet te bont en maak vooral niet teveel golven in de haven… Hahahaaaa…”   Hemeltje lief van Onna, jij oude flapuit!” riep ik terug. Jane vroeg me wat we met elkaar in het Nederlands praatten. “Hij heeft je complimenten gemaakt.” log ik.

We gingen naar de Texel. We stegen de kajuittrap af in het salon. Ik wees in alle richtingen. “Voilà, hier woon ik. Hier is de kombuis, de koelkast, het gasfornuis, daar zijn de kooien, achter deze deur is de douche en het toilet… Hier heb ik alles wat ik nodig heb, vooral mijn rust.” Jane keek nieuwsgierig rond om. “Zeilt je ook op zee of ben je maar hier in de haven?” “Af en toe, ja, maar wanneer ik op vakantie ben, rij ik liever met de VW-bus omheen.” Ik draaide het gasventiel op en zette de mokkapot op het fornuis.

Maar zeg, wat is eigenlijk met jou? Wat bedoeld “jou eigen BREXIT” en wat is met Tom?” De gelaatsuitdrukking van Jane verduisterde zich. “Tom is een klootzak. Hij heeft een affaire met zijn secretaresse. Ik wil hem verlaten. Gisteren avond heb ik hem vertelt dat ik naar mijn zus in Keulen en niet met hem naar Parijs op bruiloftsdag wil rijden. Toen hij woedend werd ben ik uit de cabine gegaan en ben op dek zeven in de Compass Bar na een paar glazen whisky ingeslapen. Tja, en nu ben ik hier.” ze glimlachte weer. De koffie was klaar en we dronken een kopje.

Ben je niet getrouwd?”   “Hmm, nee, ik had eens een liefje maar het is al lang voorbij.” Dat is niet mijn lievelingsthema dus wisselde ik het gesprek in richting van mijn werk. Tenslotte vroeg ik of ze niet nog naar het treinstation wilde. “Ik weet het niet precies, maar de directe treinen naar Keulen vertrekken alle twee uren.”

Maar eerst heb ik toch een beetje honger en misschien kunnen we daarna door Amsterdam drentelen? Ik heb nog een cadeautje voor mijn zus nodig. Ze weet ook niet dat ik kom.” Ik merkte dat ze begon me om haar kleine vinger te winden. Ja zeker, ze was erg attractief, maar haar situatie misbruiken wou ik ook niet. Aarzelend zei ik “Ja, laten we gaan. Ik ken een goed Indonesisch restaurant vlakbij de Westerkerk.”   Indonesisch?” ze tilde haar wenkbrauwen “Is er geen Nederlands restaurant”. Ik moest hard lachen. “Dat wil je niet eten. De Nederlanders kunnen absoluut niet koken.”   “Hahaha… dat komt gelegen. De Engelse kunnen namelijk ook niet koken.” We moesten beide hartelijk lachen. “Allee, doe maar voort!”

Terwijl we met de IJveer over de IJ reden vertelde ik alles wat ik over Amsterdam wist. We gingen onder het treinstation door, naar de rondvaartbootjes en stegen op een Hop On – Hop Off Boat. Na een mooie rondvaart stegen we bij het Anne Frank Huis uit en gingen naar De Tijger, een Indonesisch restaurant. We slenterden door het centrum, bezochten museums en leerden het Amsterdamse nachtleven kennen. Ja, en wat zal ik zeggen. ‘S morgens hebben we met elkaar op de Texel ontbeten…

Jane is niet naar Keulen gereisd omdat ze haar zus niet kon opbellen. Zo zijn we dan op het IJsselmeer gaan zeilen en verder door de sluis van Den Helder over het Schulpengat2 naar Texel. Achter twee mooie weken en het bezoek van de Friese eilanden zeilden we terug naar Amsterdam. Toen we naar de sluizen van het Noordzeekanaal voeren, kwam de Princess Seaways uit de haven. De veer nam een beetje vaart terug. Via marifoon3 op kanaal 16 wordt ik gezonden. “Texel for Princess Seaways coming. Ga naar kanaal 77! Uit!”. “Hoi Jan, ik ben op vakantie, hoor!” zond ik terug op kanaal 77. “Hoi Wannes. We hebben de hele tijd geprobeerd je op te bellen. Meld jou straks op kantoor alsjeblieft. Uit!” “Heb verstaan. Goede vaart en uit!” De veer versnelde de vaart weer. De kracht van 19.600 kW maakten grote golven in het vaarwater zodat de Texel heen een weer deinde.

Ik zond naar de sluiswachter en vroeg wanneer we voor de Zuidersluis afmeeren. “Maar een klein kwartiertje. De kaai moet vrij blijven vandaag. Of meer aan de sleepboot “TYPHOON” af. Die zal eerst morgen weer vertrekken. Uit!”. Ik meerde aan de “TYPHOON” af. Jane zag ongerust uit en vroeg wat er gebeurd was. Ik antwoordde dat ik naar het kantoor moest gaan. Ik had mijn mobieltje bijna twee weken niet ingeschakeld. Waarom ook. Wanneer ik op vakantie ben, heb ik het ook niet nodig het te gebruiken. Vakantie bedoeld vooral uitschakelen. Uitschakelen van de telecommunicatie, van alle zorgen, van alles wat lastig is. Gewoonlijk rij ik met de auto door Europa en zeil niet te vaak op het IJsselmeer of op de Waddenzee. Vooral nooit alleen. Maar met een mooie vrouw aan de zijde waren de laatste twee weken beter dan een autoreis op het land.

Op kantoor wachtte al de baas en naast hem stonden twee politieagenten. “Johannes Van Wezemael? Ik ben commissaris Hendrik Dijkstra en dat is commissaris Joke Driever. Zeg, kent u deze vrouw?” Hij kwam prompt ter zake en wees me een foto van Jane en mij die door de beveiligingscamera wordt gemaakt. “Ja zeker, dat is Jane Turner. Ik leerde haar net kennen.” zei ik. De politieagenten bekeken elkaar en de politieagente Driever zei met rustige stem “Zij heet Maggie Sherwood en wordt verdacht haar man vermoord, en de identificatie van een Engelse passagier gestolen te hebben.” Ik moest me neerzetten. Twee weken met een moordenares op enge ruimte op een zeilboot? Ik kreeg het gevoel dat ik moest kotsen. “Weet u waar ze momenteel zich ophoud? Ze is erg gevaarlijk en vermoedelijk bewapend.” Ik kreeg een droge keel en moest een druppel water drinken. “Ze is op mijn zeilboot, de Texel. Ze liegt aan de kaai voor de Zuidersluis.”

Wijs ons even de weg! Snel!” We liepen naar de Zuidersluis. Aan de kaai moest ik blijven staan. De politieagenten klommen over de reling van de sleepboot op de Texel. Ze grepen hun wapen en gingen voorzichtig naar binnen. Een tijde later kwamen ze naar buiten, maar Jane… of Maggie was er niet bij.   Waar kan ze zijn?” vroeg Dijkstra en typte haastig op zijn mobieltje. “Ze heeft een zus in Keulen. Maar ik weet niet of dat echt klopt. In elk geval wilde ze naar Keulen reizen. Ze vroeg de weg naar Amsterdam Centraal” Ik vertelde hem het hele verhaal. Daarna kon ik gaan. “Maar laat uw mobieltje ingeschakeld!” zei politieagente Driever “En bel, wanneer je nog iets weet.”

Later werd de Texel in beslag genomen. Ik stond op straat. Maar ik had ja nog mijn busje. Dat stond ook in een garage naast de Sixhaven en van Onna had de sleutels. Van Onna. Jane… of hoe dat verschrikkelijke wijf ook mag heten, kent hem ook. En van Onna weet van niks. Ik belde naar hem. Niks. Hij nam niet op. Ik belde naar Dijkstra, niet naar Driever. Met nog een vrouw wou ik momenteel niets te doen hebben… Ik stapte in een taxi en reed naar de Sixhaven. Dat was erg duur en de taxichauffeur verheugde zich wel. Toen we aan de Sixhaven kwamen, was de politie al op plek. Het was donker maar de hele haven was ingedeukt in blauw flikkerd licht. Er stond ook een ambulance. Hemeltje… van Onna…

Opeens kunt ik van Onna zien. Hij praatte met de mooie politieagente Joke Driever en hij zwaaide de hele tijd met zijn armen omheen. Van Onna, de superheld van de Sixhaven had Maggie Sherwood op heterdaad betrapt, toen ze de sleutels van mijn VW-busje wou stelen. Toen Maggie hem met het pistool bedreigde om de sleutels te stelen, speelde hij een theatrale hartaanval en viel op de boden. Als Maggie boog zich over hem om de sleutel te nemen, deed hij de ogen op, zei “Pardon meisje…” en gaf haar een krachtige hoekslag op de kin. Alle denken dat van Onna een praatzieke zot is, maar niemand durf hem in het vaarwater komen.

De rest van mijn vakantie was ik bezig met de protocols bij de politie te maken. Straks ga ik terug naar “mijn familie”. Ze wachten al op me en zoals ik de crew van de Princess Seaways ken, zijn ze al nieuwsgierig. Wannes en de moordenares. Ik hoor het al. Nou ja – ik ben wel ook een beetje naïef …

1naar de wuppe = kapot, vernield, verloren, naar de kloten (provincie West-Vlaanderen)

2Schulpengat = een vaargeul onder het waddeneiland Noorderhaaks

3De marifoon = de maritieme telefoon

 

 

Nachtmerrie in Bergen

Ik ben een zakkenroller met hartstocht. Niet gewoon crimineel, nee, ik ben meer “een sportman”. Het is altijd een echt goed gevoel wanneer het adrenaline door het lichaam stroomt.

Twee maanden geleden heb ik deelgenomen aan de cursus “Let op zakkenrollers!” bij de politie in Bergen. Sinds mijn eerste les was ik gefascineerd van de trucjes van de zakkenrollers. Naar de tweede les proefde ik de zakkenrollerij zelfs. Zeker, dat was niet het doel van deze cursus, maar te weten hoe een brein van een zakkenroller werkt, was een omgetoverde gedachte.

Voor de eerste keer stal ik 1000 Noorse kroon, een paspoort en private dingen. De hele buit gaf ik aan de slachtoffers terug. Anonym natuurlijk. Ik ben toch maar een sportman.

In de afgelopen week had erg pech. Op de Torgallmenningen1 greep ik een onvoorzichtige man in zijn jas. Ik was voor een ogenblik geïrriteerd omdat we op elkaar leken als twee druppels water. Spijkerbroek, een zwarte leren jas, blond krullend haar en even groot als ik. De portemonnee wandelde onzichtbaar van zijn jas naar mijn jas… Toen de “ruil” uitgevoerd was viel me op dat de portemonnee kleverig was. Met veel afstand naar de man keek ik naar mijn rechte hand. Daar was bloed…

Meer dan onzeker keek ik terug naar de man maar hij was al verdwenen. Het bloed plakte aan mijn hand. Op het moment dat ik de handen aan het Sjøfartsmonument2 wou afwassen, voelde ik een hand op mijn schouder. “Je bent gearresteerd!” Ik draaide me verbaasd naar de politieagent in civiel. Een tweede agent toonde zijn legitimatiebewijs. De eerste agent hield me vast. Potverdomme! Dat was de dag waarop het moest gebeuren, dacht ik.

Roof en doodslag, maar ik denk dat het moord was.”

Wat zegt je?” brulde ik, “Ik …”

Kop dicht!” brulde de politieagent terug, “Dat is geen ketchup aan jouw hand. Dat is het bloed van de juwelier in het Bergen Storsenter3” zei hij en wees op mijn bebloede hand. “Er is een getuige en zijn beschrijving van de dader past op jou. Zwarte leren jas, spijkerbroek, blond krullend haar en ongeveer 1,80 m groot. Ik denk dat we dat na de videoanalyse ook kunnen bewijzen.”

De tweede politieagent legde de handboeien om mijn handen, terwijl de eerste politieagent mijn leren jas doorzocht. Hij vond de portemonnee. “Aha, wil je het verder ontkennen? We denken toch dat we de dader hebben, of niet?”

Potverdorie wat ben ik toch een idioot, dacht ik, nu zit ik in de puree. De gedachten draaiden zich zoals windmolen in mijn hoofd. “Jaaa ik, ik heb de portemonnee gevonden en …”

En je wou de portemonnee naar de dichtstbijzijnde politiebureau brengen? Wat leuk … Als je me wilt verneuken, alsjeblief, probeer maar!” De politieagent was erg furieus. Wat een pijnlijke situatie.

Twee uren later zat ik in de verhoorkamer 2 van de politiebureau Bergen Centrum. Een grijze kamer met een tafel, vier stoelen, een videocamera en een microfoon. Er was geen spiegel aan de wand zoals die in de Tv-krimi’s voorkomen. Inmiddels kon ik mijn handen wassen nadat ze mijn vingerafdrukken hadden genomen. Ze hadden ook mooie foto’s van mij gemaakt. Ze verhoorden mij een uur lang en ik herhaalde mijn getuigenis keer op keer. Ik was dorstig en zat alleen in de kamer. Toen ik in het microfoon om een druppel water wou vragen, kwamen de twee politieagenten terug. Vriendelijk vraagde de eerste politieagent “Waar heb je de portemonnee gevonden?” “Op de hoek van de Rådhusgata og Torgallmenningen” loog ik. Het was maar een halve leugen omdat ik de portemonnee niet had gevonden. Ik had ze gestolen. Maar dat was een andere verhaal…

Okay – de getuige zei dat hij een andere kerel had gezien. Bovendien stemmen de vingerafdrukken niet met jouw overeen. Je heb geluk. Ik denk nog steeds dat je iets met de zaak te doen hebt. Maar je kunt gaan.”

Toen ik naar buiten wou gaan ontmoette ik op de gang Olsen, de docent van de cursus “Let op zakkenrollers!”. “Hoi Folke, wat doet je hier?” vraagde hij vriendelijk. “Heb je hunkering naar de cursus?” Hij lachte hartelijk. Ik vertelde hem het hele verhaal met uitzondering van mijn diefstal.

En je hebt de portemonnee echt gevonden?” vraagde Olsen met een doordringende blik.

Jjjjaa, zeker dat…” stotterde ik. Goh, wat stom. Ik had net twee door de wol geverfde politieagenten weerstaan en een oude, gepensioneerde politieman zou mijn “hobby” ontdekken? Maar ik kon de waarheid toch nooit zeggen.

Het is mogelijk dat ik de dader misschien gezien heb…” zei ik stiekem en voorzichtig.  “Wat? Bent je gek? Dat moet je straks Hansen en Ingebrigtsen vertellen!” riep Olsen en schudde zijn hoofd.  Potverdomme, daar komt narigheid van, dacht ik …

Hansen was rood van woede toen hij hoorde dat ik “eventueel” de dader zou heb gezien… Hij zette een heel grote mond op zodat iedereen zijn keelamandelen kon zien bengelen. “JE ZULT IN DE GEVANGENIS TERECHTKOMEN!!!!” schreeuwde hij wild en liep uit de verhoorkamer 2. Hansen sloeg de deur hard dicht en verdween.

Zo, nu spelen wij good cop – bad cop met elkaar en Hansen was de goede.” zei Ingebrigtsen en lacht als een duivel…

Wat wil je?” vroeg ik, “Wil je me folteren? Waterboarding, wat? IK KAN JE NIET ZEGGEN, WIE DE DADER IS. IK KEN HEM NIET. Ik heb hem misschien gezien, misschien ook niet. Ik heb eventueel een man gezien, die op de Fisketorvet4 verdween. Het was misschien zijn portemonnee, misschien ook niet. Ik wou de portemonnee teruggeven en naar het dichtstbijzijnde politiebureau gaan, maar jullie hebben me voordien gearresteerd. Ik schrijf het graag honderd keer op een blad papier of ik beitel het in een harde steen. IK HEB GEEN ZIN MEER OP DEZE APEKOOL. Ik heb genoeg gezegd. Laars het op jouw lappen. Ik wil naar huis. Basta.”

De braaf “bad cop” Ingebrigtsen zat met open mond verbaasd aan de tafel en zegde geen woord meer.

Naar een tijdje kwam de juiste “bad cop” Hansen door de deur. “ROT OP! We mogen jou niet houden vast, zegt de openbare aanklager. Ik wil je nooit meer zien.”

Het regent in de straten van Bergen zoals het daar altijd regent. Zo nat als een kat ging ik thuis naar Nøstet5. Voor de deur stonden twee kerels in de duisternis. Och nee, dacht ik, niet opnieuw alsjeblieft. Maar deze kerels waren geen politieagenten. Een van de twee venten had blonde krullen en droeg een zwarte leren jas… Potverdomme, vanwaar weten deze sukkels waar ik woon, dacht ik, alsof ik in een scene van een slechte TV-krimi stond.

Waar is de portemonnee?” vroeg de Jan Lul6 en bedreigde me met een mes. De andere idioot bedreigde me met een pistool. “Hemeltje, ik kom net van de regen in de drop…” zuchtte ik, “De portemonnee liegt in het bureau van de federale politie in Bergen.”

Waaaat?” riep hij, “Ik stuur je naar de hel!” Opeens hoorde ik een harde knal en ik had pijn in mijn linker arm en …

ik ontwaakte …

Waar … waar ben ik?” vroeg ik, “Ben ik in de hemel of in de hel?”

Je bent thuis” zei een zachte bekende stem. “Je hebt een nachtmerrie gehad en je bent uit het bed gevallen.” zei de zoete stem van mijn vrouw.

Goh, wat dom. Een droom? Ja – euh – dan is het wel beter wanneer ik weer ga slapen…”

Ja, dat klopt. Welterusten en droom van iets goeds.”

Ja…  zeker…  slaapwel …”

Welnu, deze nachtmerrie was uniek!

1Torgallmenningen = een avenue in Bergen (Noorwegen)

2Sjøfartsmonument = een bron op de Torgallmenningen

3Bergen Storsenter = een groot winkelcentrum in Bergen

4Fisketorvet = de Vismarkt in Bergen

5Nøstet = een stadsdeel van Bergen

6Jan Lul = een stomme en onbenullige kerel

Het origineel “Mareritt i Bergen”