Huiswerk tot 07.12.2015

Hoi lieve cursisten.

Was meint ihr? Sind da Fehler enthalten?

Hoi Nadine.In Zeile 17 habe ich das Wort zei rot markiert. Heißt es nicht zegde? Ist zei Umgangssprache oder habe ich da den Satz nicht richtig verstanden?  Ein Kursteilnehmer aus Kamerun sagte einmal…

Zet het woord tussen haakjes in het meervoud
  1. Veel vrouwen dragen larsen als het koud is.

  2. In Nederland hebben bijna alle huizen centrale verwarming.

  3. Een leraar geeft adviezen over beroepen en verdere studie.

  4. Voor mijn verjaardag krijg ik altijd een prachtig bos rozen.

  5. Ze heeft last van haar lenzen daarom draagt ze nu haar oude bril.

  6. De glazen van die bril zijn niet goed.

  7. De prijs van tweedehands auto’s zijn in veel garages veel te duur.

  8. Door oorlogen en honger zijn veel mensen in een hopeloze situatie.

  9. Op de snelwegen rijdt het verkeer vaak veel te hard.

  10. Er gebeuren dan soms ook ernstige ongelukken.

  11. Een keukenmachine vind je bij de elektrische apparaten.

  12. In Rotterdam heb je veel soorten taalcursussen.

  13. Op sommige boerderijen maken ze nog zelf kaas. Die kazen vind ik lekkerder dan die uit de fabriek.

  14. De adressen van onze cursisten zitten allemaal in de computer.

  15. Hij voelt zich eenzaam, hij heeft bijna geen contacten.

  16. Mijn broer heeft vier kinderen. Ik heb twee neven en twee nichten.

  17. Een cursist uit Kameroen zei (zegde???) eens: “Nederland heeft maar twee seizoenen. Winter en lente.”

  18. Op school staan de paraplu’s in de gang.

Vul het passende woord in
  1. Marilene is getrouwd. Haar man heet Jaap. (haar/zijn)
  2. Ze hebben een kind. Hun kind heet Anemarie. (haar/hun)
  3. We doen de papieren in onze tas. (ons/onze)
  4. Ik zit op een stoel. Mijn pen ligt op de tafel. (mijn/zijn)
  5. Heb jij je jas in de gang op de kapstok? (haar/je)
  6. Hij heeft zijn koffie en broodjes betaald. (hun/zijn)
  7. Zij heeft haar familie gisteren gebeld. (haar/hun)
  8. Heeft u uw geld in uw jas op de gang? (jouw/uw)
  9. Dat is gevaarlijk. Wij hebben onze geld hier in onze tas. (ons/onze)
  10. Cemile en Baki komen uit Turkije. Hun taal is Turks. (haar/hun)
  11. Nu schrijven jullie de antwoorden op jullie blaadjes. (hun/jullie)

 

 

4 gedachten over “Huiswerk tot 07.12.2015

  1. Hallo Gerd,

    laut Übersetzungsprogramm von Google und Bing bedeutet „zei“: sagte.
    Anders sieht es aus bei “zegde”, hier ist Goolge der Meinung es bedeute: “Nutzen” und Bing meint: “versprechen”.
    Da überlassen wir die Auflösung wohl besser Nadine.

    Gruß,
    Stefan

    1. Hallo Stefan.

      Vielleicht ist es ja wirklich Umgangssprache, oder ein Dialekt. Auf die Lösung am Montag bin ich mal gespannt 🙂

      Groetjes
      Gerd

      1. Hallo zusammen,
        ich habe mal im “Kursbuch” nachgesehen; dort steht als Vergangenheitsform von “zeggen” “zei”. Mein Langenscheidt (Auflage von 2015) gibt als Vergangenheitsform “zei (zegde)” an. Ich vermute, dass eine ältere Vergangenheitsform ist. Das könnte so ähnlich sein wie im Deutschen bei dem Wort “backen”. Dort ist die – neuere – Vergangenheitsform “backte”, aber es gibt auch noch das Wort “buk”. Am Montag wissen wir mehr.
        Tot maandag
        Frank

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *